Historiek gebouw Sintpietersroos

De Magdalenazaal in de Violierstraat

1. Beschrijving
Het pand wordt vermeld in de inventaris “bouwen door de eeuwen heen” 18nb zuid.(p 212)
Het pand dateert uit 1879 : zie bouwvergunning 103/1879 hieronder. Het werd toen bestemd als een nieuwe school ” op het vroeger domein van het hof van de heer Vanpottelberghe en thans eigendom van de chevalier Ruzette”,Op de foto en het plan van de oorspronkelijke bouwvergunning uit 1879 is duidelijk te zien dat er later een verdieping is bijgevoegd

Dit pand is een aanpassing bij een ouder pand uit 1859 dat toen eigendom was van Pieter Creyf.
zie bouwvergunning 93.1859


De luchtfoto’s onderaan laten toe het pand te situeren.
In het midden van die foto’s bevindt zich de voormalige parochieschool Sint-Gregorius, nu het centrum H. Magdalena. Het is een L vormig complex.
Dwars op de Violierstraat bevindt zich het schoolgebouw met ernaast de begroeide “rijke speelkoer” (zie verder) met enkele van de oorspronkelijke linden en grenzend aan een oude muur.
Parallel aan de straat achter de huizen zien we de feestzaal, die uitkijkt op de geplaveide “arme speelkoer”.

De feestzaal , opgericht achter de huizen van de Violierstraat , heeft een middentravee afgewerkt
met een trapgevel. Links en rechts hebben we een lijstgevel met telkens drie traveeën .
Merkwaardig is de verdeling van de bovenvensters en de afwerking van de kroonlijsten.
Op de bovenverdieping was er een kapel met een neogotisch gewelf.

Het gedeelte, dwars op de straat, toont nog de indeling van de vroegere klassen die omgevormd zijn naar zalen in 1962. De oorspronkelijke fijne roedeverdeling werd vervangen door vensters zonder verdeling onderaan en door vensters met enkel de hoofdindeling bovenaan.
Verder is de oorspronkelijke gevel bewaard. De oorspronkelijke eenlaags gevel werd wel in 1896
verhoogd (bouwvergunning 264/1896).
Voor zover we konden nagaan uit de bouwvergunning van 80/1961 werd het oorspronkelijk gebinte behouden.

Aan de straatzijde heeft het pand een blinde gevel met een half verheven beeldhouwwerk dat de heilige Magdalena voorstelt. Men herkent de heilige aan de hand van de zalfpot die ze in de handen houdt en waarmee ze de voeten van Christus zalfde. Het huidige beeld werd door de heer Standaerd ontworpen en geplaatst in 1962

Men ziet aan het verschil in het metselwerk in de blinde gevel goed de oorspronkelijke hoogte van
deze blinde gevel vóór de verhoging van het gebouw met een verdieping in 1896.

De begroeide speelkoer heeft nog een oude muur die ten dele verwerkt zit in de gebouwen die palen aan het domein. De muur is wellicht ouder dan het pand .

2. Geschiedenis

We bemerken op de kaart van Marcus Gerards hierboven dat in 1562 het terrein waarop later het huidige pand staat, ingenomen werd door een hof . We konden niet nagaan hoe de geschiedenis van dit toenmalige hof tussen 1562 en 1831 is verlopen.

Op de kadasterkaart uit 1831 hierboven ( halverwege de “rue de la violette” de toenmalige naam van de violierstraat) blijkt dat het domein in kwestie nog altijd grotendeels onbebouwd is behalve een gebouw met toren (zie bouwvergunning 93/1859. We weten niet of daar een continuiteit is met het gebouw uit het plan van Marcus Gerards .

Volgens de bouwvergunning 93/1859 is het gebouw met toren dwars op de straat in 1859 eigendom van Pieter Creyf en heeft zijn perceel het kadasternr 534. Terwijl de gebouwen parallel aan de straat het kadastraal nr 533 hebben zoals het terrein erachter. Ze maken waarschijnlijk deel uit van het domein Pottelberghe/ Ruzette (zie verder).

UIt de bouwvergunning 117/1863 van 1863 blijkt dat Pieter Creyf blijkbaar eigenaar is geworden van de gebouwen parallel aan de straat en er woningen van maakt.
Die woningen krijgen nu als kadastraal nr 534d,e,f,g (zie kadasterkaart uit 1889, hier verder)

Belet ook dat het terrein langs twee zijden omsloten is door een gracht. De Violierstraat loopt uit op de “rue du fossé” (genoemd naar die gracht?), vroeger Boonems Walstraat genoemd (Boonem= Bonin), nu de Gapaardstraat.
Ten zuiden van deze straat lagen er bleekweiden ( niet te zien op de kaart van Marcus Gerards wel op de kadaster kaart van Popp uit 1865)).

Op het kadasterplan van Ch. Popp uit 1865 hierboven blijkt dat het terrein met kadastraal nr533, waarop de nieuwe parochieschool gebouwd zal worden nog altijd onbebouwd is. De gracht is er nog ten dele afgebeeld. Maar de straat waarop de Violierstraat uitkomt, heet nu de Gapaardstraat (rue du bailleur, een verkeerde vertaling trouwens). Pieter Creyf is ijverig geweest en heeft nog een gebouw bijgezet (parallel aan de straat achter het bestaande gebouw)waarvoor echter geen bouwvergunning in het archief te vinden is. Het onbebouwde perceel krijgt nu het nr 533b. We mogen dus veronderstellen dat er op dit perceel geen bouwresten zijn van voor 1879. Aan de andere kant kan het goed mogelijk zijn dat er oudere bouwresten zijn in de huizen Violierstraat nr 9,11,13 en zeer waarschijnlijk in nr 15.

In 1879 liet de toenmalige eigenaar, ridder Leon Ruzette, op dit terrein een schoolgebouw bouwen voor de nieuwe parochieschool, die in 1879 werd opgericht met de naam Sint-Gregorius.
(bouwvergunning 103/1879 zie p. 1). De vergunning vermeldt dat dit gebeurde op een vroegere eigendom “zijnde den hof van M Vanpottelberghe” en naast de eigendom van de heer Creyf. ( is de vermelde naam Vanpottelberghe een vereenvoudigde schrijfwijze voor een lid van de familie van Pottelberghe de la Potterie en is die familie de oorspronkelijke eigenaar van het domein??)

Het schoolgebouw had aanvankelijk één bouwlaag.

Op de kaart hiernaast van rond 1870 van JH Bouchez zien we dat de Violierstraat en de Vizierstraat zijn doorgetrokken en dat de grachten verdwenen zijn . Merkwaardig is dat de Sint-Gregoriuschool reeds afgebeeld staat onder nr 121. Waarschijnlijk is dit een latere toevoeging daar de legende die bij de kaart hoort maar tot nr 96 gaat. Bovendien werd de school
pas in 1879 gebouwd.

Hieronder de kadasterkaart uit 1889


Hier zien we dat het perceel nr 533b nu 533 v genoemd wordt. De bouwterreinen voor het hoofdschoolgebouw, de zijvleugels en de feestzaal zijn aangeduid. Het hoofdschoolgebouw loopt echter niet door tot het einde van het terrein, de feestzaal en de zijvleugels zijn later gebouwd dan de datum van het plan (De zijvleugels zijn verdwenen en nu vervangen door garageboxen).

Over de 7 parochies van de Brugge waren er toen 22 schooltjes ( 9 voor jongens en 13 voor meisjes). De meeste van die schooltjes waren tot stand gekomen tengevolge van de beruchte liberale schoolwet van 1879. Als reactie legde het Belgische episcopaat alle parochiegeestelijken de taak op een parochieschool op te richten.

De eerste schoolstrijd (1878-1884)


Na de onafhankelijkheid van België (1830) had ook het officieel onderwijs een overwegend katholiek karakter. Op voorstel van Jean-Baptiste Nothomb werd de eerste organieke wet op het lager onderwijs op 24 maart 1842 aangenomen. Elke gemeente werd ertoe verplicht minstens één lagere school te hebben en kosteloos onderwijs aan de arme kinderen te verstrekken. Een vrije school mocht de gemeenteschool vervangen. De geestelijkheid mocht het godsdienstonderwijs inspecteren en de schoolboeken onderzoeken. Omdat de Kerk haar medewerking verschafte aan deze wet, verminderde het aantal vrije scholen tussen 1840 en 1875 met 37,5 %.

De liberale regering van 1878 onder leiding van Frère-Orban, waarvan alle leden vrijmetselaar waren[1] [2], richtte in 1878 een departement van Openbaar Onderwijs op en stemde op 10 juli 1879 de tweede organieke wet op het lager onderwijs (Wet-Van Humbeeck). De hoofdbepalingen van deze wet waren dat iedere gemeente minstens één officiële school moest onderhouden; de gemeenten geen vrije school mochten subsidiëren; de onderwijzers in de gemeentescholen een diploma van een rijksnormaalschool moesten bezitten; godsdienstonderricht uitsluitend buiten de lesuren kon gegeven worden en op uitdrukkelijk verzoek van de ouders worden ingericht. Op 11 juni 1881 kwam een gelijksoortige Wet op het middelbaar onderwijs tot stand.


De Katholieke Kerk, de katholieke politici en het katholiek onderwijs reageerden hierop reeds van in 1878 met hevigheid. Het land was over deze kwestie in twee kampen verdeeld (iets wat sommige historici soms als verzuiling beschrijven). Voor de katholieken was deze schoolstrijd een gevecht om ‘de ziel van het kind’. Deze schoolwet werd de bijnaam van ‘ongelukswet’ gegeven, katholieke onderwijzers kregen verbod in de ‘scholen zonder God’ te onderwijzen en katholieke ouders mochten er hun kinderen niet zenden. Van haar kant oefende de liberale regering druk uit om hen daartoe te verplichten en nam financiële en andere kwellende maatregelen tegen de geestelijkheid. In 1880 verbrak de liberale regering de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan, als vergelding tegen paus Leo XIII, die van 1843 tot 1846 nuntius was geweest in België en het Belgische episcopaat bleef steunen.


Talrijke nieuwe vrije scholen werden opgericht en bijna 200 000 kinderen en 1340 onderwijzers verlieten de gemeentescholen. In 1878 telden de vrije scholen slechts 13,1 % van het totale leerlingenaantal, maar op 15 december 1880 hadden ze reeds 63,5 % van de kinderen tot zich getrokken (580 380 leerlingen tegenover 333 501 in de staatsscholen). De doctrinaire liberalen hadden over het hoofd gezien dat de kamers waarin ze de meerderheid hadden, amper 2 % van de gezamenlijke bevolking van het land vertegenwoordigden[3]. Bij de verkiezingen van 1884 leden de liberalen dan ook een verpletterende nederlaag en kwamen gedurende dertig jaar niet meer aan de macht. De katholieke meerderheid herstelde de toestand nagenoeg van 1842 (Derde organieke wet van 20 september 1884, ontworpen door Victor Jacobs). Wel werd de beslissing of godsdienstonderwijs van het programma deel uitmaakte, aan de gemeentebesturen overgelaten. In 1885 werden 931 gemeentescholen en 701 scholen voor volwassenen afgeschaft.


Bij de stichting van de Sint-Gregorius parochieschool in 1879 waren er 2 broeders en 2 leken.
In 1891 wordt de school door het stadsbestuur aangenomen.
In 1892 wordt de feestzaal gebouwd. Het ganse domein staat nu op naam van baron Ruzette-d’Anethan, toenmalige gouverneur in Brugge.
In 1896 wordt een verdieping gebouwd op het eenlaags hoofdschoolgebouw (bouwvergunning 264/1896 aanvrager Remi Debandt)
In 1910 telde de broederschool 276 kosteloze en 127 betalende leerlingen.
In 1913 verlieten de Broeders van Liefde de parochieschool en werden de lekenonderwijzers gesubsidieerd door de stad.

Onder de eerste wereldoorlog werd de Sint-Gregoriusschool ondergebracht in de Oria, een toenmalige zondagsschool in de nieuwe Gentweg.

In 1924 wordt de school overgeheveld naar de parochiale werken van het aartspriesterdom Brugge.

De Gregoriusschool was in die tijd een van de bloeiende parochiescholen in de Brugse binnenstad, kortweg “de broeders” geheten, omwille van de Broeders van Liefde die er 34 jaar hebben onderwezen. Typisch voor die tijd was dat er twee speelplaatsen waren: een voor de kinderen van gegoede families en een voor de arme kinderen. Voor het gebruik van “de rijke speelplaats” moest betaald worden. Die speelplaats was beplant met een tiental linden (waarvan er nu nog enkele de tand des tijds hebben overleefd) en een paardekastanjeboom.

In 1932 werden de bischoppelijke colleges gratis en de Sint-Gregoriusschool zag een groot aantal leerlingen en een aantal leerkrachten vertrekken naar die colleges. Om het tekort aan leerkrachten op te vangen werd beroep gedaan op de broeders Xaverianen, zo werd de school opnieuw een broederschool. Ze werd beschouwd als een bijschool van de grote school der Xaverianen in de Mariastraat. In 1945 gaven de Xaverianen de school op.

De school werkte verder in eigen regie met een gereduceerd aantal klassen, maar mede door de tweede schoolstrijd, die duurde van 1950 tot 1958 (zie kader hierna), en door de concurrentie met de opkomende staatsscholen wilde het maar niet vlotten. Als tegenhanger voor de nieuwe staatsschool, die in Assebroek werd opgericht, bouwde “Domus Dei” (het scholenfonds van het bisdom) het OLV College. Daardoor verloor de school verder leerlingen.

Er werden onderhandelingen gevoerd om als een voorbereidende afdeling van de Patroons- en Handelsschool in de Garenmarkt te functioneren. Maar ook dat mocht niet baten, want de Patroons- en Handelsschool mocht geen sta-in-de-weg zijn voor de groei van het OLV college, in het kader van de schoolstrijd. Bovendien lag een verhuis naar de “Groene Poorte” in het verschiet want er werd daar in de nabijheid ook een staatsschool gepland.
In 1956 hield de Sint-Gregoriusschool op te bestaan.


De tweede schoolstrijd (1950-1958)


Na de Tweede Wereldoorlog gingen meer en meer jongeren naar het secundair onderwijs. Zowel het officieel onderwijs als het vrij (katholiek) onderwijs voelden zich door de toename van leerlingen tekort gedaan. Het officieel onderwijs kende een structureel probleem omdat het minder scholen had dan het vrij onderwijs. Het vrij onderwijs kende een financieel probleem omdat het een hoger inschrijvingsgeld moest vragen dan het officieel onderwijs doordat het vrij middelbaar onderwijs niet werd gesubsidieerd. De CVP-regeringen-Pholien (1950-1952) en -Van Houtte (1952-1954) kenden subsidies toe aan de met financiële moeilijkheden kampende vrije secundaire scholen (Wetten-Harmel, 1951–1952), mits deze onder andere afzagen van het innen van het hoge schoolgeld dat de vrijheid van schoolkeuze in de weg zou staan. De Wet van 17 december 1952 voorzag onder meer in de oprichting van Gemengde Commissies, paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van het rijks- en het vrij onderwijs, die de minister van advies moesten dienen over de leerprogramma’s en de aanvragen tot oprichting van rijksscholen en tot erkenning van vrije scholen. De oppositie vreesde echter voor de invloed die de Kerk via deze commissies op het rijksonderwijs zou kunnen hebben.

De spanningen begonnen rond 1950 en de tweede schoolstrijd bereikte in 1955 een hoogtepunt toen de socialistische minister Leo Collard met de Wet-Collard probeerde de subsidies aan de katholieke scholen aanzienlijk te verminderen, de voorwaarden voor subsidiëring te verscherpen en te voorzien in de oprichting van een groot aantal rijksscholen. De onrust en het (straat)protest, met de mars op Brussel op 26 maart 1955 als hoogtepunt, duurde voort totdat de verkiezingen van 1 juni 1958 de CVP weer aan de macht brachten. Op 6 augustus 1958 werd op initiatief van de CVP-minderheidsregering-Eyskens de Nationale Schoolcommissie opgericht, bestaande uit de voorzitter en drie leden van elk van de drie nationale partijen (katholieken, liberalen en socialisten). Deze commissie werkte een compromis-oplossing uit die op 20 november 1958 in het Schoolpact werd neergelegd. Met het Schoolpact werd het inschrijvingsgeld in het secundair onderwijs afgeschaft. Sedertdien geldt er een redelijke schoolvrede.

De gebouwen van de opgeheven Sint-Gregoriusschool kregen een nieuwe bestemming voor de parochiale werking. In 1962 werd het parochiaal centrum ingehuldigd met de naam van de H. Magdalena. Bij deze gelegenheid werd het bovenvermeld Magdalenabeeld van de heer Standaerd in de straatgevel geplaatst.